Christophe Vekeman, 'Hotel Rozenstok'

Nooit meer schrijven

Voor compromisloze literatuur moet je tegenwoordig bij Christophe Vekeman zijn. In ‘Hotel Rozenstok’ daagt hij alles en iedereen uit. Vóór alles zichzelf. Maar ook de lezer gunt hij geen zelfgenoegzaamheid. De turbulente finale bevrijdt de van een existentiële crisis nahijgende verteller.

Heerlijk eigenzinnig trapt hij zijn nieuwe roman af: de nog naamloze hoofdpersoon, later blijkt hij Christophe Vekeman te heten, schetst ruwweg het plot van een aantal romans die hij níet schreef. Dat mag niet verwonderen, hij voert zichzelf op als een ex-schrijver. Symbolisch knakte hij een potlood doormidden, die ‘potloodbreuk’ klinkt dramatisch en humoristisch. Weerzin, voor het literaire circus, voor zijn dubieuze positie binnen de letteren, inspireerde hem om zijn leven als schrijver de rug toe te keren. "De mensen en ik, wij hadden elkaar gewoon niets te vertellen", haalt hij gelaten en leeg geschreven de schouders op.

De noodzaak te stoppen met schrijven weekt een zeker pragmatisme in hem los. De vraag hoe hij in hemelsnaam een nieuwe carrière uit zijn mouw moet schudden, jaagt hem op. Een sollicitatie bij de Christelijke Mutualiteit ("Ik zat hier zonneklaar tegenover een dame die lont had geroken.") loopt faliekant af. Ten einde raad zoekt hij zijn heil in een bezinning naar het Nederlandse dorpje L., waar hij destijds naam maakte als flamboyante performer aan de zijde van Tommy W. Geen evidentie: het idee dat hij tijdelijk van zijn grote liefde Wanda gescheiden zal leven, valt hem zwaar. Ze is zowat de enige die hij spaart in de wanhopige analyse van zijn verschraalde leven.

Vekeman spiegelt het uiterlijk van zijn protagonist aan zichzelf: beiden verschijnen nooit in het openbaar zonder de archetypische cowboyhoed, beiden zweren bij obscure country uit het diepe zuiden van de States. Hij doet alsof hij van de lezer weinig meer verwacht dan dat hij volop naar de schrijver achter het personage zal speuren. Alleen heeft het een met het ander niets te maken, of het is ten behoeve van de fictie. Dat is misschien wel de essentie van zijn schijnbaar provocerende toon, dat we met zijn allen eindelijk eens zouden ophouden om in een verhaal naar de identiteit van de schrijver te zoeken.

In het dorpje L. gearriveerd, slaat de verbeelding van Christophe op hol. De bevallige waardin van Hotel Rozenstok, de vaste tooghangers van café De Leeuw, een handgeschreven bericht aan het raam van een gesloten herberg: zijn nieuwsgierigheid veert op en duwt de motieven van zijn vrijwillige verbanning opzij. Hij vergeet simpelweg dat hij gestopt is met schrijven en hard moet investeren in zijn nieuwe leven, hij weet dat verzet tegen zijn aandrang om de feiten met verzinsels aan te dikken zinloos is. "Hoe kwam het dat mijn fantasie het zich zo vlot veroorloofde alsmaar de vrije loop te nemen", vraagt hij zich vol ongeloof af.

De finale zindert. Vekeman weet de onvermijdelijkheid om verhalen te vertellen voortreffelijk te verbeelden. Het wassende zelfinzicht van de verteller gaat hand in hand met de ontknoping van de bizarre ontwikkelingen in het hotel. Hij blijft zichzelf vernieuwen. Niet door de zinnen waarin de bijzinnen als vanouds goed gedijen, of de toon die zoals in zijn vorige romans een en al tragikomedie uitstraalt. Wel omdat de roman voor hem hoe langer hoe meer een laboratorium is waarbinnen hij de grenzen van zijn pen en gedachten aftast. Hij heeft zijn vrijheid als kunstenaar nog lang niet uitgeput. Een potloodbreuk hoeven we niet meteen te vrezen.

Details Fictie
auteur: Christophe Vekeman
Uitgeverij: De Arbeiderspers
Jaar:
2015
Aantal pagina's:
206