Arnon Grunberg, Tirza

Als een jeukende schurft

Een nieuwe roman van Arnon Grunberg is toch altijd een gebeurtenis. Grunberg torent immers al jaren hoog boven het treurige laagland der Nederlandse Letteren uit. Met het overlijden van Gerard Reve eerder dit jaar heeft hij definitief de fakkel als belangrijkste auteur van ons taalgebied overgenomen. Op zijn vijfendertig heeft de in New York wonende Nederlander al een aanzienlijk oeuvre bij elkaar geschreven. Grunberg is een veelschrijver die alle genres aandurft. Columns, filmscenario’s, poëzie, essays… op elk van die terreinen heeft hij zich gewaagd. “Tirza” is daarbij zijn zesde roman.

In dit meesterlijke boek speelt Jörgen Hofmeester de hoofdrol. Hofmeester is een welgesteld burgermannetje dat het best te typeren valt als plichtsbewust, toegewijd en conformistisch. Het lijkt hem voor de wind te gaan. Zo betrekt hij een prachtig huis in de chique buurt aan het Amsterdamse Vondelpark. De uiterlijkheden zijn echter schijn. Zijn vrouw woonde de laatste drie jaar bij een jeugdliefde; hij is door zijn werkgever op non-actief gesteld en al zijn beleggingen zijn door de gebeurtenissen op elf september gekelderd. Hofmeesters enige lichtpunt is zijn jongste dochter Tirza, die hij zijn zonnekoningin noemt. Tot overmaat van ramp besluit Tirza het huis uit te gaan om met haar vriend, die wel verdacht veel op Mohammed Atta lijkt, een lange reis door Afrika te maken. Hofmeester is er het hart van in, maar toch geeft hij haar een afscheidsfeest. Tijdens dat feest loopt het fout.

Ondanks de enkele verwijzingen naar 9/11 is dit geen boek over de gebeurtenissen in New York. “De Joodse Messias”, Grunbergs vorige roman, mocht dan wel zijdelings de wereldpolitiek behandelen, “Tirza” gaat weer gewoon over het leven van alle dag. Het boek verschilt trouwens op nog een ander vlak van zijn voorganger. “De Joodse Messias” was een hilarisch boek vol slapstick. “Tirza” heeft dan weer een erg claustrofobe en sinistere toon. Daarmee sluit de roman aan bij “De Asielzoeker”, maar ook bij “Gstaad 95-98”, dat Grunberg onder het pseudoniem Marek van der Jagt schreef.

“Tirza” draagt ook het bedwelmende gebrek aan illusies in zich dat deze twee werken kenmerkt. Bedwelmend omdat Grunberg je door zijn sublieme manier van schrijven geen enkele uitweg laat uit zijn heerlijk nihilistische redeneringen. Op meedogenloze wijze wordt Hofmeester, en met hem het ganse bestaan van ons middenklassers, te kijk gezet. Grunberg slaat met de voorhamer in op het toneel dat we elke dag spelen en dat we maar al te graag zelf geloven. Dat is logisch, weet Hofmeester, want "je moet de zweep van de fantasie over de werkelijkheid leggen, anders werpt die werkelijkheid je als een steigerend paard uit het zadel". Om maar te zeggen dat er in “Tirza” weinig gelachen wordt. Grunbergs onovertroffen stijl is er nog wel, maar zijn spitse observaties komen vaak te dicht bij om er dubbel mee te liggen.

Die grimmigheid maakt dat “Tirza” geen plezierig boek om lezen is. Toch zullen ze van ver moeten komen om dit jaar nog een betere Nederlandstalige roman voor te leggen. Nadat Grunberg je pagina’s lang klap na klap heeft uitgedeeld, zorgt hij met de plot van het boek voor de uppercut. Je blijft uitgeteld achter, maar dagen later kruipt “Tirza” nog steeds als een jeukende schurft onder je huid.

Details Fictie
Auteur: Arnon Grunberg
Uitgever: Nijgh & Van Ditmar
Jaar:
2006
Aantal pagina's:
430