Arnon Grunberg, 'Goede mannen'

De zwakheid van het collectief

In Paul Thomas Andersons film 'Magnolia' zet John C. Reilly politieagent Jim Kurring neer. Hij wandelt hoekig, raakt moeilijk uit zijn woorden en verliest ook nog zijn dienstpistool. Mensen die beweren andere mensen te kunnen inschatten in een paar seconden zouden hem kunnen kwalificeren als een ambitieloze schlemiel. Toch bezit Kurring een zeldzame heldhaftigheid. Hij kijkt namelijk nooit weg, probeert te helpen waar hij kan. En vooral: hij is sterk genoeg om eerlijk te zijn.

Geniek Janowski vertoont in Grunbergs 'Goede mannen' veel gelijkenis met Jim Kurring. Geniek is het soort man die vooral geen problemen wil veroorzaken. Hij heeft de ambitie om een 'goede brandweerman' en een 'goede vader' te zijn. Meer niet. Door zijn omgeving laat hij zich 'De Pool' noemen, waarmee hij inherent zijn eigen individualiteit ontkent.

Wanneer zijn oudste zoon de dood vindt bij een tragisch treinongeval, klapt Geniek in elkaar. Zijn vrouw Wen gaat snel terug naar de orde van de dag, verlaat hem ('Met saaiheid valt te leven. Jouw saaiheid is doods.') voor een astroloog. Ondertussen blijft Geniek rondwandelen met een gat in zijn ziel. Hij trekt zich terug in de stal van zijn zoons pony, begint een hopeloze affaire met een vrouw van een collega en zoekt een klooster op. Uiteindelijk trekt hij met een groepje vrijgezellen naar Kiev om daar een nieuwe liefde te vinden. Wat hem lukt, om thuisgekomen met Yulia te moeten concluderen dat zijn nieuwe geluk bedreigd wordt door zijn oude 'veilige' omgeving.

'Goede mannen' is een roman die aantoont hoe destructief een omgeving kan inbeuken op een individu. En hoe een 'veilige, vertrouwde' omgeving in sommige gevallen geen enkele troost biedt wanneer iemand geconfronteerd wordt met een tragedie. Na de dood van zijn zoon schilderen Genieks collega's van de brandweerkazerne zijn huis. Geconverseerd wordt er niet, want je hebt nu eenmaals 'praters' en 'doeners'. En de collega's zijn 'doeners'.

'De mannen wisten elkaars kwetsbaarheden te vinden. Zo waren ze. De C-ploeg vergat veel, maar nooit de zwakke plekken van de ander, dat noemden ze plagen. Een geintje.'

Behalve Geniek bevat 'Goede mannen' vooral personages die zinnen en ideeën uitbraken die het product lijken van mensen die vooral niet willen denken over wat ze zeggen. Conversaties als stopverf om de tijd te doden. Het is niet toevallig dat Geniek pas werkelijk mondig wordt in de conversaties met de Oekraiënse Yulia.

'Goede mannen' is naar ons gevoel in de eerste plaats een diepmenselijk boek.